Berichten

De wereld is grijs

 

Iedereen die ik ken heeft 1, maximaal 2 bijzondere docenten uit hun middelbareschooltijd, nooit drie.

Ik denk aan mevrouw Kneepkens, docent Nederlands, met zeer veel nerveuze trekjes. Ik zie haar nog bijten op haar lip.

Meneer Flipse. Docent biologie, een nerd. Jonge docent en zeer tenger gebouwd. Met bril. Het broekie van Bio. Mevrouw Van der Werff, docent Frans, met fantastische benen die ze elke les showt door met gekruiste benen en in een te korte rok op het bureau voorin de klas te zitten. Ze is de vrouw van meneer Van de Werff, de rector. Hun zoon Frank is een outsider, vanwege zijn ouders.

Meneer Castenmiller, docent Natuurkunde. Hij zag eruit als een docent Natuurkunde, lelijk en nerdy. Zijn vrouw had hij ontmoet in het studentenhuis, een beauty. En intelligent. Zij wist door alles heen te kijken en zag hem voor wie hij was, een innerlijk mooie en goede man. De foto’s van hun kinderen. Ik zeg ”Wat een knappe baby! Uw kind lijkt zeker veel op uw vrouw?”

De lerares Geschiedenis met poliobeen die geen 10 gaf. Mien Hobbelbeen in de wandelgangen. Ik kreeg een 9.6 omdat ik het woord “qua” verkeerd had gebruikt. Volgens haar. Ik ben er tot op de dag van vandaag van overtuigd dat ik het goed had ingezet, maar ze wou geen 10 geven. En meneer Elstgeest. Docent Geschiedenis. Ik ben 15 jaar oud. Vlissingen. Zeeland. Scholengemeenschap Scheldemond.

Meneer Elstgeest kende de deeleconomie voor dat het woord bestond. Hij deelde zijn auto en krantenabonnement met de buren. Geitenwollensokken en Jezussandalen. Een enorme faux pas.

Hij had het over “De Gouden Eeuw”, en over het slavernijverleden wat niet werd genoemd in het geschiedenisboek. Hij had het over Duitsers als slachtoffer, niet als dader, toen we het hadden over de Tweede Wereldoorlog. Zou ik me als 19-jarige hebben aangesloten bij de Hitlerjugend? Hij maakte aan mij duidelijk dat ik, als ik toen had geleefd, ik een van de grootste nazi’s zou zijn geweest. En ik ben het met hem eens. Ik met mijn karakter en koppigheid? Het is een les. De geschiedenis is niet zwart of wit, Zij is grijs.

Mijn vrienden zeggen altijd dat ik zoveel begrip weet op te brengen voor de andere kant. Dat komt door hem. Hij stelde de vraag, als we de klas zouden opdelen in blauwe of bruine ogen, en de bruine ogen stinken? Wat zou jij doen? Als ik vaak genoeg herhaal dat je lelijk bent, dat jij stinkt, wordt het dan werkelijkheid?

Ik kijk naar de wereld en ik zie grijstinten. Ik hoop dat mijn dochter, wanneer zij 15 is, een meneer Elstgeest als meester heeft. Zwart en wit bestaat niet. Dader is ook slachtoffer. Goud is bloed. De wereld is grijs.

 

De twee zijdes van de medaille, 4 en 5 mei


Op 4 mei herdenken wij onze doden. Op 5 mei vieren wij onze bevrijding.
Dit gegeven is voor mij altijd anders geweest, ik ken twee kanten van het verhaal.
Mijn Surinaamse oma en opa hebben mij veel verhalen verteld over de Tweede Wereldoorlog.
Over de Amerikanen die in Paramaribo waren om het bauxiet te beschermen tegen de Duitsers, de feesten in de stad om al die Amerikanen bezig te houden, het geld wat er werd verdiend, het plezier. En hoe het wrak van het Duitse koopvaardijschip de Goslar in de Surinamerivier terecht kwam. In hun ogen zag ik de sprankeling van de herinnering.
Hoe anders waren de verhalen van mijn vader.
Hij was een klein kind, vier jaar oud, toen de oorlog begon. Geboren en getogen in Domburg wat in de oorlog belegerd was. Ik zie ons nog, hij en ik samen met mijn broertje Wilfred lopend door de duinen van zijn geliefde stad. Ja stad, want Domburg mag er dan uitzien als een dorp voor een kind uit Vlissingen maar het heeft al sinds 1223 stadsrechten, dat je het maar weet!
Elk dal wat we tegenkwamen in die geliefde duinen kende een datum, had een verhaal. Dit was het bombardement van toen en toen, die en die hebben het niet overleefd, dat en dat kwam er daarna. In zijn ogen kon ik zien dat hij niet bij ons was. Hij vertelde en vertelde en de lucht had zijn publiek kunnen zijn. Maar het waren slechts mijn broertje en ik.
De moeder van mijn vader was voor de donder niet bang. Op een tank die voor de deur gestationeerd staat op de Duinweg kloppen en vragen of de heren een kopje thee willen. Koffie was te duur.
De vader van mijn vader heeft zich tijdens die vreselijke periode op de zolder van het tuinhuisje moeten verbergen om maar niet gedwongen arbeid te moeten verrichten. Helaas. Ze hebben hem te pakken gekregen. En toen ik vier was en hij overleed aan stoflongen zei men “hebben die moffen hem toch nog gepakt”.
Mijn vader is al jaren dood. Hij heeft mijn dochter van negen nooit gekend. Als hij haar zou zien dan zou hij wat zeggen over haar doorlopende wenkbrauwen, typisch Vreeke. En hoe leuk het is dat Wilfred en ik contact hebben met Jeroen, kind van zijn broer Wim. Want in de Vreeke familie zijn de banden niet warm en niet nauw. Er is te veel gebeurd met die familie. En de Tweede Wereldoorlog was bepalend. Harten gingen dicht. Monden verstomden. Alles stond in het teken van overleven.
Elk jaar rond deze tijd hoor ik mijn vader. Hij vertelt me over de Duitse generaals, over de Duitse parachutisten met hun indrukwekkende outfit welke ik met mijn eigen ogen heb mogen aanschouwen in de tentoonstelling “De aanval” in de Onderzeebootloods in Rotterdam. Ik hoor de pijn, ik hoor het verdriet, ik hoor het ontzag voor de geschiedenis, ik hoor zijn verhaal, ik hoor hem. En daarom ben ik twee minuten stil op 4 mei. Ik luister.

Leontine Vreeke